Arbeidsrecht

Disfunctioneren gevolg van ziekte

Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werknemer opzeggen als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. De ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid is een reden voor de opzegging van het dienstverband. De ongeschiktheid mag echter niet het gevolg zijn van ziekte of gebrek van de werknemer in verband met het opzegverbod tijdens ziekte.

De vraag in een procedure voor Hof Den Bosch was of het disfunctioneren van een werknemer het gevolg was van een ziekte of gebrek. De kantonrechter had op verzoek van de werkgever het dienstverband beëindigd wegens disfunctioneren. Voorafgaand aan de procedure bij Hof Den Bosch heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de beoordeling of het disfunctioneren werd veroorzaakt door ziekte of gebrek rekening gehouden had moeten worden met de uitkomst van een neuropsychologisch onderzoek dat de werknemer had ondergaan. Hof Arnhem-Leeuwarden had dat niet gedaan, omdat de kantonrechter volgens het hof met de uitkomst van het onderzoek geen rekening had kunnen houden.

Hof Den Bosch was op grond van het onderzoeksrapport van oordeel dat er een direct verband was tussen de eerdere arbeidsongeschiktheid van de werknemer en diens latere mindere functioneren. Dat betekende dat de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren heeft ontbonden. De werknemer verzocht echter niet om herstel van de arbeidsovereenkomst, maar om een billijke vergoeding als alternatief daarvoor. Volgens zijn berekening zou een billijke vergoeding uitkomen op een bedrag van € 30.675. De werkgever accepteerde de berekening van de werknemer. Het hof heeft de gevraagde billijke vergoeding toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De werkgever werd daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de procedure bij de kantonrechter, de hoger beroepsprocedure bij Hof Arnhem-Leeuwarden en de procedure na verwijzing door de Hoge Raad bij Hof Den Bosch.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20202445, 200.266.478_01 | 20-08-2020